Onderwijs

Studiesucces

Gepubliceerd op 21 december 2011

Hoe wordt studiesucces gemeten?

In de meerjarenafspraak is studiesucces gekoppeld aan de volgende twee kengetallen:

  • het rendement van de bacheloropleiding na 4 jaar op basis van herinschrijvers;
  • de uitval in het tweede en derde jaar van de opleiding.

Deze kengetallen zijn aan elkaar gekoppeld. Immers, studenten die uitvallen hebben een negatief invloed op het rendement.

De kengetallen houden rekening met de opbouw van het studieprogramma. Het eerste jaar van de opleiding moet oriënterend en selecterend zijn. De studenten die na het eerste jaar doorstromen naar het tweede jaar (de herinschrijvers) zouden in principe in staat moeten zijn om de opleiding succesvol af te ronden. Daarom wordt het rendement op basis van herinschrijvers berekend en wordt alleen naar de uitval in het tweede en derde jaar van de bachelor. De definitie van rendement (na vier jaar in plaats van drie jaar) houdt daarnaast rekening met eventuele uitloop door buitencurriculaire activiteiten en eventuele uitloop door stages of buitenlandervaring.

Rendement en uitval: definities

Om rendement en uitval te meten wordt uitgegaan van het zogenaamde KUO-standaardcohort (KUO is Kengetallen Universitair Onderwijs). Hieronder vallen die studenten  die rechtstreeks van het vwo komen en zich als voltijds student inschrijven voor één opleiding. Deze definitie maakt het mogelijk voor alle universiteiten vergelijkbare cijfers te presenteren.

De precieze definitie van rendement is:
'Het percentage afgestudeerden na vier jaar ten opzichte van het aantal herinschrijvers van een KUO-standaardcohort.'

De definitie van uitval luidt vervolgens:
'Het aantal studenten ten opzichte van het aantal herinschrijvers van een KUO-standaardcohort dat zich na het tweede of derde jaar niet meer inschrijft voor dezelfde opleiding.'

Bron: Werkgroep Studiesucces
|